V e r h a l e n

 

De auto met het behaatje
Dwarsfluitles
Boekenmarkten zijn niet gezellig
Pijpen (filosofische beschouwingen tijdens het fietsen naar kantoor)
Irma, gepubliceerd in Link, juli 1998

Organisatieadvies door ASCII-analyse (Computer!Totaal ASCII-wedstrijd)
Mijn God, gedachten bij het boekenweek-thema 1997
Gewenste intimiteiten (inzending DNS 1997)
Joker-virus reist mee op sexplaatjes
Het vuurtorengevoel
Onderzoekscollectief N-exT onderzoekt de vreemde gevolgen van alledaagse verschijnselen en beschrijft de bevindingen in zeer leesbare artikelen. 


De auto met het behaatje

Er is nog geen dag voorbijgegaan dat hij er niet stond. Ten minste, op de momenten dat ik er voorbij reed. Als het fietsbaar weer is kom ik er langs, op weg naar het werk en 's avonds ook weer op de terugweg naar huis. Een donkergrijze Opel is het.. Of misschien is hij wel van dat blauwige groen of groenige blauw. Voor iemand met een beperkt kleurwaarnemingsvermogen is dat niet zo goed vast te stellen.
Aan het binnenspiegeltje hangt een piepklein behaatje. Zelfs voor het allereerste gebruik is het ding te klein. Het moet dus speciaal zijn aangeschaft om ergens als decoratie aan te hangen; zeg maar zoals die mini voetbaltenues die je wel in auto's (meestal ook Opels) ziet hangen.
Nooit heb ik iemand in of bij de auto met het behaatje gezien. In gedachten had ik er allerlei voorstellingen bij. Gespierd, tattoo's, matje, oorringetje, hooggehakte geblondeerde ernaast. Deur opengooien vlak voor mijn fiets; wegscheuren zonder zich te bekommeren om andere weggebruikers.
Vanmorgen was het ineens zo ver. Toen ik de straat indraaide zag ik beweging rond de auto met het behaatje. Een keurig broekpak, vergezeld van een in vlotte kleertjes gestoken krullebol van een jaar of 6 liepen er omheen. Het broekpak, type accountantskantoor, opende de deur. De krulletjes gingen in een kleurig kinderstoeltje, vast in de gordel. Het broekpak groette beleefd en deed de deur pas open toen ik gepasseerd was. Een stukje verderop stopte ik, omdat ik linksaf moest en de achterop komende auto voor moest laten gaan. De auto met het behaatje stopte echter en het broekpak maakte een vriendelijk gebaar met de arm: gaat u maar voor hoor.



Dwarsfluitles

Als 13-jarig jongetje was ik geheel in de ban van de popgroep Supersister. Ik had de groep een keer op een schoolfeest bezig gezien en begreep weinig van de in mijn oren onsamenhangende klanken die werden geproduceerd. Maar enkele hogere-klassers hadden geïnteresseerd staan luisteren, dus ik begreep al snel dat het van enig intellect getuigde als je deze muziek mooi vond.
Vanaf dat moment was ik dus fan. Terwijl vriendjes luisterden naar banaliteiten als George Baker of de Tee Set luisterde ik in obscure platenzaakjes naar de laatste Supersister-opnamen en sloop ik 's nachts ik in het diepste geheim het huis uit om de nachtconcerten van de groep te bezoeken.

Oefening baart kunst: de waarheid van dat gezegde bleek al spoedig ook voor het luisteren naar muziek op te gaan. De oorspronkelijk nogal warrig klinkende muziek werd steeds meer het aanhoren waard. De composities bleken ingewikkeld, maar zeker niet zonder structuur. De muziek werd vanzelf echt mooi.
Popgroepen bestonden in die tijd nog gewoon uit twee gitaristen, een bassist en een drummer. Een van de gitaristen was ook zanger, soms zat er een aparte zanger of zangeres bij. Supersister was ook wat dat betreft anders. De aanwezigheid van een bassist en een drummer kon nog volgens het boekje genoemd worden, maar dan hield het op. Een gitarist ontbrak zelfs geheel. De belangrijkste inbreng kwam van een toetsenist. Die functie was ook tamelijk nieuw in de popmuziek. Pianisten kwamen tot dan toe schaars voor, maar de uitvinding van de synthesizer leidde tot nieuwe mogelijkheden voor bespelers van de toetsen. Avantgardistische groepen trokken dus een toetsenist aan.
Het vierde lid van Supersister speelde dwarsfluit. Dat was uberhaupt nog nauwelijks vertoond in de popmuziek. Zwijmelend luisterde ik keer op keer naar de enige (overigens tamelijk bescheiden) hit "She was naked". De fluitsolo uit dat nummer floot ik foutloos mee. Gewoon met m'n lippen fluitend, dat wel.

Toen, op een dag, is het besluit gevallen: ik ging dwarsfluit spelen. Met mijn moeder toog ik naar de muziekschool in de Regentesselaan, alwaar voor het luttele bedrag van 350 gulden, te betalen in tien maandelijkse termijnen, een fluit van het tot dan toe onbekende merk F.I.S.M. kon worden aangeschaft. Trots liep ik met mijn aanwinst naar huis om daar te ontdekken dat de wijze van aanblazen van het instrument nogal wezenlijk verschilde van de manier waarop ik aan de blokfluit van mijn broer tonen wist te ontlokken.
De weken daarop slaagde ik er langzamerhand in via de aanwijzingen van de muziekschool-docent enige op fluitgeluid lijkende klanken te produceren. Met die docent was het overigens nogal merkwaardig gesteld. Braaf liet ik na het begin van de les mijn ingestudeerde "a and b-march" of de gevoelige eerste regels van "au clair de la lune" horen. De docent was intussen in geanimeerd gesprek met een collega en merkte meestal niet op, dat ik klaar was. Als verlegen en keurig opgevoed jongetje waagde ik het natuurlijk niet zijn gesprek te verstoren.
Het bleek me al snel dat "She was naked" nog ver weg was. Mijn enthousiasme ebde weg, de docent werd nog ongeïnteresseerder. Steeds vaker ging ik een halfuurtje wandelen met mijn dwarsfluit in mijn tas, aldus de indruk wekkend dat ik daadwerkelijk naar fluitles ging. Nadat het lesseizoen vvas afgelopen hoefde ik gelukkig niet van mijn ouders nóg een jaar op les. Zij waren blijkbaar niet echt van mijn talenten overtuigd geraakt.

Vijf jaar lang bleef de fluit in zijn koffertje. Mijn muzikale smaak had zich verder ontwikkeld in de richting die met Supersister was ingezet. Top-40-deuntjes, daar moest ik weinig van hebben. Underground en jazz, vooral de zogeheten free-jazz, dat was de ware muziek. Mijn toenmaljge vriendenkring kende meer mensen die niet fatsoenlijk konden spelen, maar wel een muziekinstrument hadden. Wij besloten een band te starten en kozen voor de free-jazz. De vele ritme-fouten en valse noten konden we met een beroep op deze muziekstijl immers verklaren vanuit een avantgardistische visie op muziek, hetgeen wij natuurlijk liever vertelden, dan dat wij een gebrek aan vaardigheden moesten opbiechten.
Hoe het ook zij, de tijd was er rijp voor en wij traden zelfs enkele malen op in het Haagse kroegencircuit. Daarbij zagen wij er overigens geen been in om te wisselen van instrument. Zo beleefde ik dus een kortstondige carriere als multi-instrumentalist en kan ik vertellen ooit op het podium gestaan te hebben als saxofonist, bassist, gitarist, pianist, drummer en zanger. Om te voorkomen dat me gevraagd wordt eens een stukje te spelen houd ik daar overigens mijn mond verder over.

Het duurde vervolgens zo'n twintig jaar alvorens de dwarsfluit weer uit de koffer kwam. Als vader van twee kinderen groeide het besef dat het pedagogisch zeer verantwoord zou zijn een muzikale voorbeeldfunctie te vervullen. Omdat de freejazz inmiddels als muziekstijl geheel had afgedaan leek het volgen van muzieklessen me toch wel noodzakelijk. Een goedwillende fluitjuf leerde me mijn verkeerd aangeleerde grepen en gewoontes af en slaagde erin enige verbetering in mijn embouchure te bewerkstelligen, waardoor de toon ook voor de toehoorder acceptabel werd. Mijn trouwe F .I.S.M. kon de werkdruk niet aan. De polstertjes, die 20 jaar geen vocht hadden gevoeld, begaven het onder de nu rijkelijk vloeiende speekselstromen. Een nieuw tweedehandsje werd aangeschaft. Echt warm kon ik voor de lessen echter nog altijd niet lopen.

En toen... Toen kwam die merkwaardige wervelwind in beeld. Mijn zoon Coen leerde van haar op de Dinofluit spelen en hij kwam altijd dolenthousiast thuis. "Wie is toch die vrouw die daar zo druk heen en weer loopt te rennen en staat te zwaaien en gebaren" vroeg ik aan Coen tijdens een voorspeelmiddag. Het bleek zijn juf te zijn. Elsbeth dus. Volgens mijn echtgenote moest ik bij haar ook beslist op les. Met enige terughoudendheid, wat moet je als 40-jarige met zo'n springerige juf, begaf ik me naar mijn eerste les. Meteen werd me alles duidelijk. Elsbeth is helemaal niet druk: ze is superenthousiast. Okee, misschien doet ze een tikkeltje overdreven, maar zelfs dat is doordacht. Je gaat er als leerling namelijk toch altijd een klein beetje in mee. En voor je het weet sta je als volwassen fluitleerling in een kerk voor te spelen. Wie had dat drie jaar geleden durven voorspellen.
Twee jaar les; een toonvorming die met sprongen vooruit is gegaan; een enthousiasme voor het fluitspelen diat volgens mij niet meer over gaat; snufjes, kneepjes en andere handige tips in overvloed. Het is duidelijk: ik heb les gehad van Elsbeth Nijhuis.

En nu stopt ze ermee, althans met de lessen in Bathmen. Lang was mijn twijfel: blijf ik in Bathmen lessen of blijf ik bij Elsbeth lessen? Ik blijf in Bathmen, misschien tegen beter weten in. Ik kies er voor om even op woensdagavond naar de fluitles te kunnen wandelen. Ik ken mezelf genoeg om te vrezen dat een ritje naar Deventer een te hoge extra drempel zou kunnen betekenen, waardoor ik te vaak verzuim.

Nooit meer "Wat gaan we doen"
Nooit meer "TA TA TA T AAAAAA TA TA T AAAAAAA"
Nooit meer "MOOOOOIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII"
Hoewel: nooit? Je weet maar nooit....

Er blijft overigens nog steeds iets knagen, zelfs na twee jaar les van Elsbeth. "She was naked" van Supersister kan ik nog altijd niet spelen. Ik geloof trouwens niet dat ik haar al eens gevraagd heb hoe ik dat zou moeten doen.

28 juni 1998



Boekenmarkten zijn niet gezellig

Boekenmarkten zijn niet gezellig. Ik weet niet wie er ooit bedacht heeft de term "gezellig" te gaan gebruiken in promotionele uitingen van boekenmarkten. Het moet iemand zijn die de marketingregels goed beheerst, want "gezellig" heeft een positieve uitstraling en is dus een geschikt marketingwoord. Maar tegelijkertijd is het iemand die geen kaas gegeten kan hebben van boekenmarkten. 120.000 mensen die 800 kramen gaan bezoeken. Misschien maar 1 promille van die mensen zoeken dezelfde soort boeken als ik. Dat zijn wel even 120 concurrenten.
Zondagochtend vroeg ben ik me dat eigenlijk nog nauwelijks bewust. "Gezellig,
boekenmarkt" zeggen Marie Anne en ik tegen elkaar. Natuurlijk wordt het later dan we ons voorgenomen hadden, voor het ontbijt is verorberd, de lunchpakketten gesmeerd zijn en de kinderen bij opa en oma zijn afgeleverd. Dan fietsen we, nog steeds gezellig, richting Deventer.
De GSM begint uitgerekend op de Bokkingshang, waar een flink aantal neringdoenden extra vroeg is opgestaan om mij over te halen weer naar bed te gaan, vrolijk te bliepen. Ik realiseer me dat ik het toestel niet in mijn fietstas had moeten opbergen, maar gewoon in mijn jaszak. Nu moet ik razendsnel beslissen. Deze straat rijd je normaal gesproken uitsluitend door omdat je toevallig in het centrum moet zijn. Voortdurend trekt je ene oog dan naar rechts, terwijl het andere de remlichten van voorgangers in de gaten houdt. Niets wekt immers zo veel hilariteit als het krantenberichtje van een kop-staartbotsing op de Bokkingshang. Ga ik hier nu midden op straat mijn tas uit staan pakken op zoek naar mijn telefoon? Ik besluit door te fietsen.
De voicemail meldt even later het verwachtte bericht dat vrienden uit het Westen in de rij voor het pondje staan. Als we bijna bij de steiger zijn gaat de telefoon opnieuw en terwijl onze vrienden vertellen dat zij gearriveerd zijn kloppen wij ze op de schouders.

Dan, eerst zachtjes, maar snel heviger wordend, slaat het toe: het boekenmarkt-egoïsme. De uitwisseling van zoenen en andere plichtplegingen riep nog wel de aangename gevoelens op die ontstaan als je vrienden tegenkomt. Maar het vervolgens bespreken van de te volgen route maakt één ding pijnlijk duidelijk: hier staan geen vrienden, hier staat de vijand, die probeert mijn boeken in te pikken. In enkele seconden besef ik dat niet alleen voetbal, maar ook boekenmarkt oorlog is. ledere kraam staat vol potentiële vijanden. Beleefdheid is uit den boze. Eén keer maar maak ik de fout beleefd te willen zijn. Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan. Terwijl ik mijn nek in een onmogelijke hoek draai, om links van mij enkele titels te kunnen lezen die vanaf mijn positie gezien ondersteboven staan, tracht iemand links van mij de ruggen van een stapeltje boeken aan mijn rechterhand te lezen. "Zullen we even van plaats ruilen" stel ik voor. Er wordt instemmend gereageerd. Ik stap naïef achteruit, de buur schuift dankbaar op, de opengevallen plaats wordt ogenblikkelijk door anderen ingenomen. Het effect is dat ik nu op de tweede rij sta.
Vanaf dat moment pieker ik er niet meer over een eenmaal ingenomen strategische positie weer vrijwillig af te staan. ledere vrije centimeter die ontstaat op weg naar het rijtje boeken over het gezochte onderwerp wordt ogenblikkelijk veroverd. Langzaamaan verdwijnt het besef van de aanwezigheid van 119.999 andere mensen en zie ik uitsluitend nog boeken. Als we tussentijds even neerstrijken op een terrasje aan de Brink, keert er een vleugje menselijkheid terug. Met zijn vieren bekijken we de buit van de ochtend en we kunnen zelfs enig enthousiasme voor elkaars aanwinsten opbrengen. Na een tosti en een pilsje gaat de strijd weer verder, tot ik beetje bij beetje weer tot mezelf begin te komen. Vermoedelijk wordt dat veroorzaakt doordat het aanmerkelijk rustiger is geworden. De helft van de markt hebben we gehad en het is inmiddels vijf uur geweest. In rap tempo nemen we nog een flink stuk IJsselkade, maar al snel overheerst het aantal leeggeruimde kramen en zien we alleen nog bananendozen.
Het leidt tot enkele filosofische overpeinzingen. Zouden er ooit boekenmarkten kunnen ontstaan als er geen bananendozen waren? Zouden succesvolle boekverkopers er goed aan doen te investeren in banaanplantages teneinde verzekerd te zijn van goedkoop boekentransport?
Zou er een verband bestaan tussen bananenmerken en de kwaliteit van de boeken? Vestdijk in Fyffes, Ludlum in Chiquita en Bouquetreeks in "ons eigen merk"?

Een stuk of zes boeken, twee ansichtkaarten en een stempel vormen de buit van deze zondag. Geen echte klappers, maar toch een aardig resultaat. Na een hele dag slenteren spreken we met onze vrienden af te gaan eten bij de Bathmense Chinees die, hoe komt hij op het idee, op zondag lopend buffet heeft. Staande aan het buffet voel ik weer de neigingen opkomen om mijn buurmannen en -vrouwen de pas af te snijden en snel als eerste mijn bord vol Fou Yong Hai en andere lekkernijen te scheppen. Dan realiseer ik me dat het bij de Chinees anders is dan op de boekenmarkt: als het hier op is, wordt er gewoon nieuw gebracht. Een weldadige rust daalt over me neer.

Hoewel doodmoe, stap ik die avond in bed met al mijn aankopen bij me. Als ik een halve pagina heb gelezen zakken mijn ogen al dicht. Ik leg mijn boek weg en knip het lampje uit.
Marie Anne leest nog even door. "Gezellig was het vandaag he?" zegt ze na een tijdje. Ik stoot een of andere toon uit, die zowel op ja als op nee lijkt. Ze trapt er niet in. "Wat zei je", vraagt ze. Ik probeer een andere tactiek: "H mm, he wat? Vroeg je iets?" probeer ik de indruk te wekken dat ik al sliep. "Ik vroeg of je het gezellig vond", antwoordt ze. "Of ik wat vond?" mompel ik. "Of je het een geslaagde dag vond" zegt ze ongeduldig. Glimlachend antwoord ik
nu naar volle tevredenheid: "jaha, een zéér geslaagde dag was het." En stiekem denk ik daarbij: "maar niet gezellig",



Pijpen

Nu ik eindelijk weer dagelijks naar mijn kantoortje kan fietsen komen onvermijdelijk de onderwegse overpeinzingen weer opduiken. Vooral nu de wegopbreking tussen Bathmen en Deventer zulke opstoppingen veroorzaakt valt er veel te zien. Talloze vragen spoken door mijn hooft. Hele banale, zoals:
Hoeveel gram neusbulkjes zou er per kilometer file verwijderd worden (en waar blijft dat)?
Waarom rijden de cabriootjes 's morgens met de kap dicht terwijl het al best lekker weer is?
Maar ook vragen en gedachten van meer filosofische aard. Wat bezielt al die mensen om daar in de file te gaan staan? Het grootste deel komt waarschijnlijk nooit aan enige beweging toe. Als ze thuiskomen zakken ze voor de tv en that's it. Aan die groep is met mijn gefilosofeer weinig eer te behalen.
Maar er zit toch ook een flinke groep mensen in die file die zichzelf als sportievelingen beschouwen. Sommigen zullen zich na het eten in een strakke felkleurige outfit hijsen om op een superlichte racefiets rond te gaan rijden. Anderen gaan in soortgelijke kleding een rondje hollen. En weer anderen rijden in hun auto naar de sporthal of het fitnesscentrum om zich een uur uit de naad te zweten en daarna in de kantine in rap tempo de verloren grammen weer bij te eten en drinken.
Vandaag doen ze er allemaal zeker 25 minuten over om in Deventer te komen. Met de terugweg mee betekent dat 50 minuten reistijd. Zonder stremmingen is die dagelijkse reistijd toch altijd nog een half uur. Op mijn fietsje ben ik twee keer een half uur onderweg. Vandaag heb ik dus met een tijdsinvestering van 10 minuten maar liefst een vol uur beweging. Normaliter "verdien" ik een uur per half uur. Waarom maakt niet iedereen gebruik van het feit dat ie zich sowieso moet verplaatsen? Iedereen klaagt over tijdgebrek en op deze manier kun je zo maar tijd verdienen.
Tja, en dan al die dassen. Wie heeft eigenlijk ooit de stropdas bedacht? Het ding knelt, je boordje wordt te strak tegen je nek gedrukt en gaat veel sneller dan nodig groezelig worden. En op je werk zit je tussen allemaal mensen die ook een hekel aan dat ding hebben. Toch? Of zie ik dat verkeerd. Brandende vragen:
Zijn er mannen die erg graag een stropdas dragen?
Is de populariteit van de stropdas Freudiaans te verklaren?
Zouden de vrouwen zich als gewillige prooien aan mijn voeten vleien als ik voortaan een stropdas ga dragen?

Intussen fiets ik vrolijk voorbij in T-shirtje en broek waarvan de pijpen in mijn tas zitten. Daar laat ik ze ook lekker zitten vandaag, besluit ik als ik al die kostuums en mantelpakjes zie neuspeuteren. Gisteren heb ik voor het eerst weer met mrs B een stukje gefietst. Voor haar was het voor het eerst sinds 2 maanden dat het wat verder ging dan naar haar ouders of de winkel. Een half uurtje maar, maar niettemin de start van een betere conditie. Ik denk er even aan vanwege mijn beschouwingen over de afritsbroek. Acht jaar geleden hadden we al zo'n ding en in die tijd was het nog een bezienswaardigheid. Het afritsen van de broekspijpen leverde steevast bekijks op. Tijdens een fietstochtje op Terschelling ontdekte mrs B op een terrasje dat ze haar broekspijpen vergeten was en vroeg tot ontsteltenis van de omstanders aan mij: "Ik krijg het koud, mag ik jouw pijpen?" hetgeen in spreektaal en zonder kennis van het verschijnsel afritsbroek tot geheel verkeerde associaties kan leiden.

Heeeeee, alweer een fax. Joepieieieieie, de 60e aanmelding voor de studiedag die we op 12 september organiseren. Die dag gaat een succes worden. Gelukkig maar want de studiedag in het voorjaar heeft nauwelijks iets opgeleverd. Ik ga aan het werk



Irma

Prijswinnend verhaal verhalenwedstrijd zomer 1998, georganiseerd door Writers Block Magazine en het Internet-tijdschrift Link, gepubliceerd in het zomernummer van Link.

 

Het rumoer waarmee de dieprode bol zowat elke 4 uur over het eiland raasde leek alleen maar toe te nemen. Eerst hoorde je het gekabbel van het stijgende water door de straten van het dorp. Dan begon in de verte een zacht piepen, dat langzaam aanzwol tot een kakofonie van schrille hoge tonen en geluiden die nog het meest deden denken aan vertraagd afgespeelde bandopnamen. Op het moment dat de bol passeerde zakte de hoogte van het geluid enkele tonen. Willem Verpoorten probeerde het juiste moment altijd te raken door in gedachten "Whole lotta love" van Led Zeppelin te zingen. Als het snerpende geluid van Jimmy Page's gitaar gelijk viel met de passage van de bol had Willem gewonnen.
Het wegstervende geluid werd nu snel overtroffen door het geraas van de vloed, die met donderend geweld achter de bol aangesleurd werd. Alles bij elkaar duurde het telkens zo'n drie kwartier tot de rust weerkeerde.
Drie maanden duurde de ellende inmiddels en zo langzamerhand begon Willem zich een beeld te vormen van wat zich had afgespeeld. De vorming van Irma, de Infra Rode Maan, zoals hij de bol gedoopt had, moest al jaren aan de gang geweest zijn. Wat op die zomerdag plaatsvond was slechts de escalatie van een langdurig proces. En zoals zo vaak bij onverwachte gebeurtenissen waren er ook nu allerlei voortekenen, die pas achteraf verklaard konden worden.

Drie jaar daarvoor had Willem zijn droomwoning/kantoor betrokken. De oude vuurtoren was enkele maanden eerder buiten gebruik gesteld. Het was Willem zelf geweest die met de uitvinding van de Personal Navigator de kustverlichting definitief naar het museum verwees. Het apparaatje was zo populair dat vrijwel alle mensen er een droegen. Je deed het als een horloge om en wist vervolgens tot op de centimeter nauwkeurig waar je was.
Niet iedereen had hem zijn uitvinding in dank afgenomen. De keerzijde van de populariteit van de Navigator was namelijk, dat de drager ook door anderen getraceerd kon worden. In het kielzog van Willem' succes ontstonden allerlei bureautjes die tegen betaling de handel en wandel van echtgenoten, werknemers en concurrenten in de gaten hielden. Nadat critici hem eens midden op straat een flinke taart in zijn gezicht drukten, besloot Willem zich terug te trekken op een rustiger plekje. "Met alle moderne communicatiemiddelen ben je toch zeker gek als je in de Randstad blijft wonen", zo hield hij iedereen voor die het maar horen wilde.

Zijn komst naar het eiland stuitte op nogal wat weerstand van de bevolking. De oude Brandaris verdiende na meer dan 400 jaar trouwe dienst een betere bestemming als museum of hotel, vond men. Om hem uitgerekend te verkopen aan degene die verantwoordelijk was voor het doven van de karakteristieke lichtbundels ging de meesten te ver. De verkopers echter hoefden over het riante bod van Willem niet lang na te denken. Buiten de plaatselijke aannemer, die de binnenkant van de toren omtoverde in een luxe woon- en werkruimte, had hij verder geen contacten op het eiland. Letterlijk en figuurlijk op eenzame hoogte werkte hij verder aan nieuwe vindingen.

Een paar doffe dreunen wekten Willem. Hij was op de driezitsbank in slaap gevallen. Soms moest hij wel om zichzelf lachen. Een bankstel en een lits-jumeaux had hij, maar in zijn toren was nog nooit één bezoeker geweest. De dreunen kwamen uit de hoek waar zijn laatst overgebleven Virtual Friend lag. Irma was zojuist haar hoogste punt gepasseerd en de krachtige infraroodstraling had deze Virtual Friend tot een paar stuiptrekkingen aangezet.

Vifri, zoals hij haar gedoopt had, was weer teruggezakt tot de vormeloze massa die zij sinds het ontstaan van Irma was geweest.
De Virtual Friend mocht toch wel als de ultieme computertoepassing beschouwd worden. Sinds er computers bestaan draaide een groot deel van de toepassingen om seks. Willem had Vifri eigenlijk gemaakt om in zijn eigen behoeften te voorzien. Maar nadat hij zijn nieuwe vinding via het net had gepresenteerd stroomden de bestellingen binnen. De eerste Vifri deed weinig meer dan lieve woordjes fluisteren en bewegingen maken die je vooraf zelf in moest programmeren. Achteraf bezien was er wel een flinke dosis fantasie voor nodig om daar enig genoegen aan te beleven. De ontwikkelingen volgden elkaar echter snel op. Na een paar weken rolden al de eerste Vibo's, de Vitual Boyfriends uit de fabriek. Vifri's en Vibo's begonnen via de eigenaren met elkaar te communiceren. Er ontstonden discussiegroepen, er werden programma-strings uitgewisseld waarmee iedereen zijn of haar ideale erotische partner en omgeving kon creëren. Handige wizzkids knutselden actie-reactieprogramma's in elkaar, waardoor een Vifri en een Vibo urenlang de communicatie zelf op gang konden houden.

De grootste doorbraak kon wederom op rekening van Willem worden geschreven. Hij bedacht een ingenieus systeem waarbij de Vi's hun bewegingen draadloos van de computer ontvingen. Tegelijkertijd registreerden zij de bewegingen en geluiden van de eigenaar en gaven die weer aan de computer door. Via ooit met ICQ in gang gezette communicatieprotocollen kwamen die gegevens bij een andere virtual boy of girl terecht, die de doorgestuurde bewegingen en geluiden ogenblikkelijk uitvoerde. De ultieme vorm van save seks met talloze wisselende partners was een feit. Willem had zijn ideaal bereikt. De enige behoefte waarvoor hij nog wel eens iemand anders nodig had kon nu ook via de computer worden bevredigd. Vanuit zijn eenzame torenwoning wipte hij de hele wereld over. De ontwikkeling die begon met de pinupplaatjes werd vervolmaakt door de Virtual Friends.

Goed beschouwd moet het zijn hond geweest zijn die als eerste signalen afgaf dat er dingen verkeerd gingen. Vanaf de eerste keer was zijn trouwe viervoeter onrustig geweest als Willem met zijn Vifri in de weer was. "Zeker jaloers" had Willem gedacht. Floris was immers niet anders gewend, dan dat alle aandacht voor hem was. Floris' onrust nam echter toe. De eerste weken liep hij alleen zenuwachtig heen en weer. Later begon hij op zielige toon te piepen als de Vifri werd geactiveerd. Weer later ging hij over tot hartverscheurend janken, dat toenam naarmate Willem' activiteit groter werd.
Willem legde het verhaal over zijn hond neer in enkele discussiegroepen en kon uit de honderden reacties opmaken dat Floris niet de enige was die zo heftig op de virtuele partners reageerde. Uit alle delen van de wereld kwamen meldingen van vreemd gedrag dat door alle soorten huisdieren werd vertoond op het moment dat baas of bazin zich vermaakte. Dat was geen toeval meer en had ook niets met jaloezie te maken. Er moest meer aan de hand zijn. Blijkbaar namen de dieren dingen waar die voor hen onplezierig waren, maar voor de mensen niet. Of misschien ging het om waarnemingen waartoe mensen sowieso niet in staat waren.

Langzaamaan begon er bij Willem een vermoeden te ontstaan. Hij herinnerde zich hoe hij als jongetje de vissen in het aquarium tot totale gekte kon krijgen, door er met de afstandbediening van de televisie signalen op af te sturen. Hij herinnerde zich ook dat hij ooit eens een theorie had opgesteld die verklaarde waarom poezen altijd direct naar het plekje op de bank liepen waar zojuist iemand was opgestaan. Ook als ze niet konden hebben gezien dat daar iemand had gezeten. Poezen konden blijkbaar warmte zien. Poezen en vissen konden blijkbaar infrarode straling waarnemen.
En als dat zo was, waarom zou dat dan niet voor honden en andere huisdieren gelden? En waarom zouden die dieren niet gek kunnen worden van te veel infrarood? De vissen werden tenslotte al stapel van een afstandbediening.

Eén brandende vraag bleef onbeantwoord. De aansturing van de Vifri's vergde bij elk gebruik gemiddeld een zelfde hoeveelheid infrarode signalen. Hoe was het dan mogelijk dat de reacties van de huisdieren steeds heftiger leken te worden? Willem had daar maar twee mogelijke verklaringen voor. De minst waarschijnlijke was, dat de dieren een soort van allergie opbouwden, waardoor het moment waarop ze last kregen van de signalen steeds sneller kwam. De tweede theorie ging er van uit dat de infrarode signalen op een of andere wijze bleven bestaan. Men had altijd gedacht dat zo'n signaal, zeker uit een zwakke afstandbediening, na enkele meters uitdoofde, maar was dat wel zo?
Willem twijfelde of hij zijn theorieën zou publiceren. Ongetwijfeld zou hij meteen als belangrijkste veroorzaker van het probleem worden aangewezen. Zijn ervaringen met de Personal Navigator stemden hem wat dat betreft niet hoopvol. Bovendien zou een verbod op infrarood-apparatuur het einde betekenen van zowel de Vi's als de Navigator. De te verwachten schadeclaims konden vervolgens de waarde van zijn toch niet geringe vermogen wel eens gaan overschrijden.

Een paar weken bleef Willem rondlopen met de door zijn hoofd spokende theorieën. Op een zwoele zomeravond zette hij zijn ideeën zomaar ineens uiteen tegenover een onbekende chat-partner. 's-Middags had hij een flink deel van een fles jenever soldaat gemaakt. Min of meer aangeschoten zat hij die avond achter zijn scherm en om de een of andere reden interesseerde het hem niets meer wat de mensen van hem zouden denken. De Australische vrouw waar hij contact mee had leek nauwelijks belangstelling voor zijn verhaal te hebben, maar des te meer voor hemzelf. Het duurde niet lang of zij begonnen aan een heftige virtuele vrijpartij. Plotseling viel het geluid weg en de Vifri verstijfde helemaal. Met de grootste moeite wist Willem zich los te wurmen. Verbaasd keek hij wat er aan de hand was; geen beweging, geen geluid en het scherm geheel zwart. Hij zette zijn computer uit, waarna de Vifri als een zandzak in elkaar op de grond plofte. Hij besloot de zaak de volgende dag eens na te kijken en viel op de bank in slaap.

Bijna twee uur later schrok hij wakker. Zijn televisie stond aan en zapte onregelmatig langs allerlei zenders. Het volume was afwisselend hard en zacht en ook de kleurinstelling veranderde constant. Willem wilde het apparaat uitzetten, maar het luisterde niet meer naar de bedieningsknoppen. Vanuit zijn toren zag hij dat op het hele eiland de lichten in de huizen aangingen. Toen merkte hij ook de snel oplichtende rode gloed boven de zee op. Op dit tijdstip kon van een normale dageraad geen sprake zijn. Het leek ook meer een wervelwind van dieprode wolken die op het eiland afkwam. Op het moment dat het centrum van de werveling het eiland passeerde leek het wel dag, zo licht was het. Binnen de toren was het een compleet gekkenhuis van apparaten die willekeurig aan en uit gingen, de zappende televisie en een schuddende Vifri. Met een paar droge knallen gaven de op hol geslagen apparaten de geest; een geur van schroeiende kunststof vulde de toren.

De rode gloed trok weg en Willem zag dat het op het hele eiland nu donker was. Vanuit het dorp klonk het geroezemoes van groepjes pratende mensen. Uit de flarden van gesprekken die hij opving kon hij afleiden dat het probleem van de verstoorde apparatuur algemeen was. Hij liep de trappen af, verliet zijn toren en mengde zich tussen de opgewonden eilanders. De sfeer werd echter meteen dreigend. "Wat doe je hier joh!" voegde iemand hem toe. "Al die ellende komt van die klote-apparaten van jou", schreeuwde een ander woedend. Het leek Willem beter zich maar weer in zijn toren terug te trekken.

Terwijl de dorpelingen op zijn deur bonsden en schreeuwden om schadevergoeding, vroeg hij zich af hoe de samengebalde infraroodsignalen zich verder zouden ontwikkelen. Het antwoord kwam een kleine drie uur later. De naderende dageraad werd opgeschrikt door een nieuwe rode gloed, veel feller dan de vorige. Naast de opkomende zon verscheen een tweede bol boven de Waddenzee. Ze leek groter dan de zon, maar dat kwam waarschijnlijk doordat ze veel dichterbij stond. In een hoog tempo klom de bol verder om vervolgens met grote snelheid het eiland te naderen. In een orgie van geluiden en hoge fluittonen passeerde ze het eiland en verdween over de Noordzee. De echte ramp kwam meteen daarna. Een ware springvloed werd in het kielzog van de bol meegetrokken, overspoelde het eiland en sleurde alles mee wat op haar weg kwam. Met ontzetting zag Willem alles gebeuren, te laat om de toegang tot zijn veilige toren te openen voor de eilanders. Irma was geboren en had haar visitekaartje meteen duidelijk afgegeven.

In de drie maanden die volgden had Willem een aardig overlevingsritme opgebouwd. Onderaan de toren zette hij enkele netten uit als het eiland droog stond. Na een passage van Irma kon hij daar de vissen zo weer uithalen. Over zijn voedselvoorziening hoefde hij zich dus geen zorgen te maken.
Contact met de eilanders had hij nooit gehad, maar nu ook het virtuele contact met de buitenwereld onmogelijk was geworden werd de eenzaamheid ineens een probleem. Op een avond besloot hij het noodaggregaat van de toren te testen. Hij was niet eens echt verbaasd dat die goeie ouwe mechanische machine het gewoon deed. 's-Avonds seinde hij met de vuurtorenlamp een boodschap: z-i-t- -h-i-e-r- -a-l-l-e-e-n-.-i-s- -e-r- -n-o-g- -i-e-m-a-n-d-? De avond daarop volgde een antwoord vanaf Vlieland: s-t-i-k- -m-a-a-r- -i-n- -j-e- -t-o-r-e-n-.-l-i-e-v-e-r- -a-l-l-e-e-n- -d-a-n- -m-e-t- -s-c-h-u-l-d-i-g-e- -e-l-l-e-n-d-e. Dat was duidelijk. Er was in ieder geval nog iemand daar, maar echt welkom leek hij niet te zijn.

Toen Willem de volgende ochtend zijn netten leeg wilde halen waren die verdwenen. De vloedstroom had de westpunt van het eiland weggeslagen, waardoor de Vliestroom al direct onderaan de Brandaris begon. Tot zijn schrik bemerkte hij dat het water de fundamenten van de toren al omspoelde. Spoedig zou deze het lot van zijn voorganger volgen en in zee storten. Willem's enige resterende mogelijkheid was het bereiken van de Vlielander toren, die op een hoog duin gelegen was en daardoor beter beschermd was tegen de vloed. Als hij direct na de vloed vertrok had hij ruim drie uur voor het oversteken van de vliestroom. Hij had geen idee of die tijd voldoende zou zijn, maar hij had ook geen andere keuze.

De eerstvolgende vloed spoelde een forse lading grond onder de toren weg. Zodra de zee was bedaard begon Willem zijn zwemtocht naar het andere eiland. Hij was nog niet eens halverwege toen Irma alweer aan de horizon verscheen. In de heftige vloedstroom werd hij meegetrokken de Noordzee in. Tussen de schuimkoppen door ving hij nog een glimp van zijn Brandaris op. Hij werd onder water getrokken, spartelde weer naar boven en constateerde dat waar hij de toren zojuist nog had gezien de horizon nu leeg was.

Die avond seinde Vlieland zijn laatste bericht: o-p-g-e-r-u-i-m-d--s-t-a-a-t--n-e-t-j-e-s 



Mijn God

Tijdens de eerste les van mijn misdinaartjesopleiding viel mijn vader van zijn geloof. Dat gebeurde vast niet zo plompverloren van het ene moment op het andere, maar kwam voor mij als tienjarige toch volledig onverwacht. Mijn broers waren alledrie misdienaar geweest en een had het zelfs tot acoliet geschopt. Als leerling van de katholieke lagere school aan het Haagse Westeinde wist je dat het misdienaarschap tot allerlei voordeeltjes leidde. Dat het geloof in ons gezin niet zo diep geworteld was - mijn ouders gingen niet of nauwelijks naar de kerk - deed daar niets aan af. Misdienaars mochten te laat komen of te vroeg weggaan van school om hun hogere taak te vervullen. Echt geluk had je als er iemand trouwde of dood ging; dat betekende al gauw twee uur tussendoor weg van school. En dan was er nog het jaarlijkse misdienaarsreisje, waarover mijn broers spannende verhalen vertelden. Dat alles ging aan mijn neus voorbij. Ik werd als troost nog wel een jaartje benoemd tot verkeersbrigadier, maar de voordelen daarvan bleven beperkt tot maximaal een kwartiertje schoolverzuim per dag.

 De lagere-schooltijd maakte pijnlijk duidelijk dat God belangrijk was om verder te komen. Als je het geluk had dat je vader een winkel had, of een tuinderij, kreeg je van broeder Mattheus altijd wel een puntje extra en de verzekering dat de hemel op je wachtte. Natuurlijk moest je vader dan wel genegen zijn om het jaarlijkse schoolreisje van fruit of melk te voorzien. Het spreekt voor zich dat wij als ambtenarenzonen nergens voor konden deugen en het einde der tijden slechts met angst en beven tegemoet konden zien.

 Behalve aantrekkelijk voor eigen gewin bleek God trouwens ook een onderhandelbaar fenomeen te zijn. Pas jaren later begreep ik de pijnlijke verwarring van de broeder die godsdienstles gaf, nadat ik hem verwonderd vroeg of "al die mensen" dan niet in de hemel konden komen. In de les was verteld dat er meer moslims en hindoestanen waren dan christenen. Er school toch een behoorlijke onrechtvaardigheid in het idee dat het grootste deel van de mensheid gedoemd was in de hel weg te kwijnen, zonder ook maar de kans te hebben gekregen om met God's barmhartigheid kennis te maken. Broeder verzekerde ons dat voor wie echt als goed mens geleefd heeft, via het vagevuur nog wel een plekje in de hemel te regelen is.

 Gek genoeg werd de definitieve nekslag aan God als algemene waarheid onbedoeld toegediend door de eerder genoemde broeder Mattheus. Hij ging dood en alle kinderen mochten even bij hem gaan bidden. Met mijn broer, die als leerling door de broeder onvoorstelbaar was gekleineerd, schuifelde ik langs de kist. Ik veinsde een gebed op te zeggen, maar was eigenlijk slechts ge‹nteresseerd in het zien van een dode. Mijn broer keek alleen maar en deed niet eens alsof hij bad. "Ik kom niet om voor die man te bidden," fluisterde hij desgevraagd, "ik wil alleen zeker weten dat hij dood is." Voorzover aanwezig was de laatste rest spiritualiteit daarmee wel uit mijn God verdwenen.

 God is privileges, God is onderhandelbaar, zijn het verzinsels vanuit een kinderlijk onbegrip? Integendeel. Mijn partner is door "ongelovigen" opgevoed en mist daardoor de nodige privileges. Zo ontgaat haar de helft van de grappen van Freek de Jonge en enkele andere cabaretiers. En zo liep zij de baan in het Ermelose verpleeghuis mis. Als zij enig gelovig familielid in de derde graad had kunnen aanwijzen had zij zich waarschijnlijk nog wel naar binnen kunnen onderhandelen.

 Ook in de politiek en in de wereld als geheel wordt God naar believen ingezet om eigen voordeel te bereiken. Afhankelijk van het te bereiken doel wordt het godsbeeld aangepast. Mijn God is kortom gematerialiseerd, verzakelijkt. Mijn God is terechtgekomen in het rijtje voetbal, welzijn, milieu. Van oorsprong bedoeld voor een gezond en gelukkig leven, maar verworden tot economisch goed. Ooit gelanceerd als Dé macht, absoluut en autonoom, rest er voor mijn God niet meer dan valse alibi voor machtsmisbruik.

 Mijn God......, had je wel gecontroleerd of het echt goed was? 


 


Gewenste intimiteiten

Op de lagere school van de broeders in Den Haag, en later trouwens ook bij de jezuïeten op het Atheneum, waren alle intimiteiten ongewenst. Er zaten alleen jongens op die scholen. Het onderwerp intimiteit was tijdens de opleiding van de broeders en paters die het docentenkorps van de scholen vulden natuurlijk niet behandeld. Teneinde geen enkel misverstand over dit gevoelige thema te laten ontstaan, werd er dan ook niet over intimiteit gesproken.

 Desondanks deden op het schoolplein verhalen de ronde over vreemde gebeurtenissen tijdens het nablijven. Hoewel de bronnen mij indertijd uiterst betrouwbaar leken, gaat het toch om verhalen van horen zeggen. Ik ga er daarom maar niet verder op in.

 Ik herinner mij dat het onderwerp intimiteit één keer in mijn schooltijd officieel aan de orde is gekomen. Het was in de vierde klas van de lagere school. Zonder nadere aankondiging werden wij op een morgen in een bus gezet en naar Rijswijk gereden. We gingen naar een gebouw dat ik achteraf het beste als een soort vormingscentrum kan omschrijven. Daar liepen ook weer broeders rond, die blijkbaar van een geheel andere orde waren dan onze leerkrachten.

 In een zaaltje vertelde onze eigen broeder dat wanneer een man en een vrouw trouwden, dat niet vanzelf tot kinderen leidde. Vervolgens toonde een van de vormings-broeders, die volgens mij duidelijk verstand van zaken had, ons de opengewerkte tekeningen van "plasser" en "schede". De plasser bleek te kunnen opzwellen (30 zuchten van verlichting klonken in de zaal; de kinderen realiseerden zich dat hun periodieke stijve geen afwijking was) en paste dan in de schede. Deze intimiteit, aldus de deskundige, geeft een "prettig gevoel".

 Het hiervoor beschreven, zeer doordachte didactische concept leverde twee soorten jongeren op: de compensatie zoekende veelneukers en de schuchtere jongens die niet weten hoe ze het aan moeten pakken. Ik hoorde tot die laatste groep, die sowieso de meerderheid vormde. Gelukkig bood de feministische golf die indertijd over het land spoelde oplossingen voor verschillende problemen. Allereerst was daar een prachtige theoretische onderbouwing van het feit dat je je niet als macho gedroeg. Geen sulletje, nee hoor, juist een enorme avant-gardist. Op de tweede plaats leidde de deelname aan praat- en actiegroepen zo nu en dan tot zeer gewenste intimiteiten, zonder dat daar een initiatiefrijke opstelling voor nodig was.

 Later heb ik nog eens een collega terechtgewezen die bij wijze van grap meldde zich te hebben aangesloten bij een feministische actiegroep omdat "dit de enige manier is om tegenwoordig nog een lekker wijf te versieren". Een dergelijke schandalige insinuatie kon natuurlijk echt niet door de beugel.

 Anno 1997 worden intimiteiten vreemd genoeg meteen geassocieerd met werk. In dat kader zijn ze vaak ongewenst. Eens te meer werpt de jezuïetendidactiek haar vruchten af. De ietwat schuchtere collega loopt weinig risico in de fout te gaan. Hoewel..... één keer is dat toch gebeurd. Ik werkte in de jeugdherberg op Terschelling. De baas werd ziek en plotseling was ik jeugdherbergbeheerder. Het team moest op sterkte blijven en toen heb ik haar zelf aangesteld.

20 jaar, flinke bos rossige krullen, felle ogen. Iedereen had het steeds maar over die ogen. Mijn schooltijd indachtig was ik vooral getroffen door haar warme belangstelling voor de mensen en door de goede gesprekken. En toen, na een paar weken, hebben we het ineens gedaan. Zo maar, intimiteiten, 's avonds, na het werk.

 In 1979 was dat. Onze dochter is nu 7, onze zoon wordt binnenkort 9. En wij hebben het nog wel eens over een prachtig voorbeeld van gewenste intimiteiten. 


 


Irritante "joker" komt mee met sexplaatjes

Computervirus wordt maandag actief

(1-april persbericht)

In nieuwsgroepen op internet wordt gewaarschuwd voor een onschuldig maar irritant computervirus, dat aanstaande maandag actief dreigt te worden. Het virus lift mee op de talloze vieze plaatjes die via computernetwerken uitgewisseld worden. Door zich in dergelijke bestanden te verschuilen wist het virus lange tijd te voorkomen dat het ontdekt zou worden.
Het nieuwe virus is van het type dat bekend staat als joker. Een joker verspreidt zich op dezelfde manier als een virus, maar richt in de computer geen schade aan. Wel veroorzaakt een joker allerlei effekten die eerst leuk lijken, maar op den duur zeer irritant worden. Zo zijn er voorbeelden bekend, waarbij ieder kwartier een tennisbal door het beeld stuitert, of waarbij het indrukken van een bepaalde toets steeds het geluid van een kwakende kikker veroorzaakt.
Virussen verspreidden zich tot nu toe via softwareprogramma's. Door het aktiveren van een besmet programma wordt in dat geval de hele computer besmet. De programmatuur die virussen op moet sporen is dan ook gemaakt om de programma's, de zogeheten executables, te controleren. Het vieze-plaatjes-virus kon onopgemerkt blijven door zich te verschuilen in bestanden die niet door een controleprogramma worden bekeken. Wie via een modem sexfoto's in de computer binnenhaalt, loopt kans daarmee een zeer eigentijdse variant op het Paard van Troje binnen te halen.
Enig gevoel voor humor kan dit moderne paard niet ontzegt worden. Wie maandag een besmette computer aanzet blijkt plotseling te beschikken over een nieuwe screensaver. Screensavers zijn programma's die vanzelf starten als het toetsenbord gedurende een aantal minuten niet is gebruikt. De onverwachte screensaver vindt het na 10 seconden al tijd om in actie te komen en toont dan een van de plaatjes die het virus hebben meegenomen.Daarbij klinken via het speakertje in de computer toepasselijke geluiden.
Zoals het hoort is een willekeurige toetsaanslag voldoende om de screensaver weer uit te schakelen, totdat deze na weer 10 seconden inactiviteit wederom verschijnt. De eenvoud van het virus is meteen de zwakte. Wie maandag de computer nodig heeft maar geen prijs stelt op onaangekondigde billen, borsten en gehijg kan gewoon vóór maandag de datum van de computer vooruit zetten. Geavanceerde virussen trappen daar niet in, maar het vieze-plaatjes-virus laat zich gemakkelijk om de tuin leiden. Dinsdag kan de datum dan weer gelijk gezet worden, waarmee het probleem is opgelost. 



Het vuurtorengevoel

(gepubliceerd in verhalen- en gedichtenbundel)

Het vuurtorengevoel is in mijn prille jeugdjaren lange tijd verbonden geweest aan Betsie uit het Hofje. Wij woonden in de Haagse Spijkermakerstraat (klemtoon op de a) en als we naar de speeltuin aan het Buitenom gingen, liepen we altijd door het hofje. Het hofje had twee evenwijdige paadjes met huizen. Op de hoek van onze straat en de Oliënberg kwam je het hofje binnen en dan kon je kiezen of je het eerste of het tweede paadje links nam. Wij namen altijd het eerste, want onder de kinderen uit de straat was bekend dat wie het achterste paadje inging daar nooit meer uitkwam. Betsie woonde in het achterste paadje. Zij was gezegend met een enorme bos haast fluorescerend rood haar. Haar verschijnen in de Spijkermakerstraat leidde steeds weer tot een "vuur-to-ren-vuur-to-ren-vuur-to-ren" van de buurtkinderen. Zij hielden zich daarbij overigens op ruime afstand van het slachtoffer. Ogenschijnlijk dapper nam ik deel aan de spreekkoren, me bewust van de risico's. Als Betsie je te pakken kreeg en meenam naar het hofje.....
Ontzag was dus een belangrijk element in mijn vuurtorengevoel. Daarnaast was er de bewondering. Want wie liep er rond de jaarwisseling voorop in de "kegsboomejag" zoals het verzamelen van kerstbomen voor het nieuwjaarsvuur in goed haags heet? En wie klom er over de muur van de garage om wat extra autobanden voor op dat nieuwjaarsvuur te regelen? Betsie! Met draailichten en kustbewaking had ik als jongetje uit de haagse binnenstad toen nog niks van doen. Okee, je wist dat er zo'n licht-ding op Scheveningen stond. Maar Scheveningen daar had je als hagenees niks mee te maken. Die hadden zelfs een eigen voetbalclub en gingen niet eens naar ADO kijken.
Pas toen we naar de deftige Beeklaan (klemtoon op aa) verhuisden werd de basis voor mijn huidige vuurtorengevoel gelegd. Ik was 9 jaar en betrok met mijn broer een ongekend grote slaapkamer, die 's nachts iedere 10 seconden twee keer een tel verlicht werd door de Scheveningse vuurtoren. Iedere avond staarde ik mijmerend naar het schitterlicht en droomde van een toekomst als torenwachter op een tropisch eilandje.
Mijn dromen werden ruw verstoord door de bouw van een grote flat achter in de Beeklaan. Weg was het licht. Vijf lange jaren bleef het donker. Toen, op 27 december 1976, aanschouwde ik "hem" voor het eerst in mijn leven. Staand op het bevroren zonnedek van de Midsland zag ik de Brandaris opdoemen uit de mist. Slechts even genoot ik van de aanblik, maar omdat ik dacht dat we er bijna waren ging ik gauw mijn spullen pakken. Na drie kwartier op de trap tussen salon en uitgang te hebben gestaan, rugzak al op, legde de Midsland aan en gingen de deuren open. De dagen en nachten daarop bracht ik door in Wyb, Dammesaan en bed.
"Hem" zag ik pas weer toen we terugvoeren. Mijn oude dromen kwamen weer voorbij en hoewel Terschelling verre van tropisch is, besloot ik dat ik daar toch zeker een tijdje moest wonen.
Wat is het nou toch, dat de Brandaris zo bijzonder maakt? Hij is wel hoog, maar lager dan de Euromast; hij is wel oud maar jonger dan de piramide van Cheops; hij is van veraf te zien, maar de Chinese muur zie je zelfs vanuit een ruimtestation. Toch missen ze iets, die mast, die piramide en die muur. Ze hebben een gebrek aan eigenwaarde. Ze zijn neergezet om een haven te bekijken, een dode te begraven of een vijand tegen te houden. Zo niet de Brandaris. Die staat er voor zichzelf en straalt met eindeloos geduld zijn boodschap de verte in. "Hier sta ik en wie onder mijn stralen woont is nooit de weg kwijt."
Het duurde twee jaar voordat ik voor de tweede keer de Waddenzee overstak. Nu met een volkswagenbusje met spulletjes bij me. Ik vestigde mij in een personeelskamer van jeugdherberg Hanskedûne. Bestaat er een mooiere plek op de wereld? Ik ken er in ieder geval geen.
Wie nog geen vuurtorengevoel heeft krijgt dat vanzelf na één avondje Hanskedûne. Het gevolg van een jaar Hanskedûne laat zich dus raden. Vuurtorenafbeeldingen aan de muur in huis, albums vol brandarissen, een verzameling ansichten, posters, postzegels en prullaria met vuurtorens van over de hele wereld. Dat dit allemaal was voorbestemd, daar kwam ik onlangs achter. De Olieberg, de naam van dat straatje in het begin van dit verhaal, blijkt het hoge duin te zijn waarop vroeger een kustvuur werd gestookt. Ik woonde altijd al naast een soort vuurtoren. En het logo van de uitgeverij waar ik nu werk is, hoe kan het ook anders, een vuurtoren. Bovendien heb ik mij voor altijd verzekerd van de nabijheid van vuurtorens. Met de collega in Hanskedûne die door haar haarkleur ogenblikkelijk het vuurtorengevoel opriep, ben ik getrouwd. Intussen is rood haar voor kinderen geen reden meer tot spreekkoren, maar als ik mijn kinderen door de straat zie fietsen denk ik het soms heel zachtjes toch te horen: "vuur-to-ren-vuur-to-ren-vuur-to-ren....." 



Onderzoekerscollectief N-exT

Onderzoekerscollectief N-exT bestaat uit wetenschappers en niet-wetenschappers van verschillende disciplines, die onderzoek doen naar de onbedoelde effecten van alledaagse dingen. Iedereen die een relevant onderzoek heeft gedaan kan zich bij N-exT aansluiten of een verslag van zijn/haar bevindingen via de N-exTpagina's publiceren. Voorwaarde is dat het onderzoek zich richt op schijnbaar gewone verschijnselen of algemeen aanvaarde regels, die een verrassende bijwerking blijken te hebben.

De volgende onderzoeksverslagen zijn in te zien:
 
Onderwaardering provincie leidt tot gemeentelijke herindeling

Zomertijd en arbeidsproductiviteit

Organisatie-analyse op grond van computergebruik



Onderwaardering provincie leidt tot gemeentelijke herindeling

De gedrevenheid waarmee provinciale bestuurders het proces van gemeentelijke herindeling aansturen, wordt vooral gevoed door de onbelangrijke status die deze functiona rissen lijken te genieten. Deze merkwaardige conclusie trekt de onderzoekersgroep N-exT, die antwoord heeft gezocht op de vraag waarom herindelingen vaak ten koste van veel weerstand worden doorgevoerd. Voor het streven van politici zich middels grote, in het oog springende projecten te onderscheiden blijkt op provincie-niveau nauwelijks plaats te zijn.

 Met name de gemeentelijke politici hebben tal van mogelijkheden om hun naam ook na hun carrière te laten voortleven. Iedere burgemeester wacht vroeger of later wel een straatnaam in een nieuwbouwwijk. Wethouders leggen de nodige eerste stenen of slaan eerste palen; handelingen die op een prominente plaats in het te bouwen pand gememoreerd worden. Talloze buurthuizen en wijkgebouwen ten slotte zijn vernoemd naar het gemeenteraadslid dat zich voor de betreffende voorziening heeft ingespannen. Mocht dat allemaal niet lukken dan kan de onsterfelijkheid altijd nog bereikt worden door het bedenken van mega-projecten zoals een nieuw gemeentehuis.
Op landelijk niveau is het verkrijgen van naambekendheid zo mogelijk nog simpeler. Zeker met de toename van het aantal televisie- en radiozenders is een kamerlidmaatschap op zich al voldoende om als bekende Nederlander voort te leven.
Bestuurders van provincies hebben al die mogelijkheden niet. Zij zijn in het algemeen ook niet bekend bij de bevolking. Bovendien hebben provinciale bouwwerken veel minder uitstraling dan gemeentelijke. Er staat bijvoorbeeld niemand te popelen om zijn naam te mogen koppelen aan een waterzuiveringsinstallatie. En zolang de straatnamen op gemeentelijk niveau worden vastgesteld zullen er geen straten naar gedeputeerden worden genoemd.
Een herindeling is daardoor een van de weinige spraakmakende projecten die aan de inspanningen van provinciebestuurders kunnen worden toegerekend. Volgens N-exT valt daaruit dan ook de gretigheid van deze politici te verklaren. Enige zakelijke verklaring voor de herindelingsdrang valt namelijk niet te geven.
Het veel gehoorde argument van de ruimtenood van een (meestal de grootste) stad in een herindelingsgebied gaat niet op, omdat middels overleg tussen buurgemeenten veel kan worden opgelost. Dat een grotere gemeente efficiënter zou werken is twijfelachtig. De financiële positie van grote gemeentes is meestal juist slechter dan die van kleine. Omdat de inwoners van de grotere gemeente nauwelijks geïnteresseerd zijn in herindeling, terwijl uit de betrokken dorpen juist fel verzet komt, is ook het draagvlak bij de bevolking mi niem.
Juist dit laatste verschijnsel maakt de herindeling ook feitelijk ongeschikt als politiek prestige-object. Tegenstanders zullen de drijvende kracht achter het proces niet bepaald op handen dragen. Wie geen tegenstander is laat alle ontwikkelingen grotendeels aan zich voorbijgaan, zodat ook bij die groep weinig eer te behalen valt.
Provinciale politici rest intussen niets anders dan door te stomen naar Den Haag of terug te gaan naar de gemeentelijke politiek. De onderzoekers van N-exT hebben nog geen oplossing voor de imago-problemen kunnen vinden. 



Zomertijd kost miljard

De energiebesparing die bereikt wordt door het instellen van de zomertijd weegt, in ieder geval financieel, niet op tegen de kosten. De produktiviteit van de werknemer is de eerste dagen na het verzetten van de klok aanzienlijk lager dan normaal. Doordat velen vergeten de klok te verzetten komen bovendien veel mensen 's maandags te laat op hun werk.
Dit blijkt uit een onderzoek van onderzoekersgroep N-exT. De groep, bestaande uit wetenschappers uit diverse disciplines, onderzoekt de effecten van maatschappelijk algemeen aanvaarde gewoontes die pas na de tweede wereldoorlog zijn ingeburgerd. "Veel van die gewoontes hebben een economische achtergrond". aldus drs V K. Persoon, bedrijfskundige en voorlichter van N- exT. "Zij zijn in een tijdperk van overdreven rationalisering ingevoerd. zonder de gevolgen voor het (biologisch) functioneren van de mensen te overzien".
De zomertijd is een goed voorbeeld van zo'n gewoonte. Indertijd was energiebesparing de belangrijkste reden om tot invoering hiervan over te gaan. Sinds het op grote schaal toepassen van geautomatiseerde tijdregistratiesystemen, in de volksmond de prikklok, en personeelsinformatiesystemen kan de aanwezigheid en inzet van iedere werknemer per uur worden gevolgd en vastgelegd. De stichting N-exT heeft gedurende een jaar de gegevens van 150 organisaties, zowel uit bedrijfsleven, non-profitsector als overheid, gevolgd en bekeken of het ingaan en aflopen van de zomertijd van invloed is op de produktiviteit.
Direct valt op dat 2,6% van de mensen vergeet de klok te verzetten. Dat levert meteen al een kostenpost van 150 miljoen op. Persoon: "Je zou verwachten dat het uur te laat komen in de zomer weer gecompenseerd wordt in de winter. Dat gebeurt niet. Het is ongeloofwaardig om te beweren dat het einde van de zomertijd door minder mensen wordt vergeten dan de aanvang. Een goede verklaring kan zijn dat wie te vroeg op het werk komt, zich ter plekke realiseert wat hij is vergeten. Om niet af te gaan gaat de betrokkene koffie drinken, of de krant lezen in zijn auto."
Die hypothese sluit in ieder geval goed aan bij het verschijnsel dat de files zowel na het ingaan van de zomertijd als na het beëindigen daarvan, op maandagochtend korter zijn dan normaal. 2,6% minder aanbod betekent kennelijk dat op een aantal plaatsen het kritische punt waarop filevorming plaatsvindt net niet wordt overschreden.
De grootste kostenpost van de zomertijd is de terugval in produktiviteit. De eerste uren op maandagochtend is die vaak tot 50% lager dan normaal op maandag. Pas na 8 volledige werkdagen is de produktiviteit weer op niveau. N-exT becijferde het omzetverlies dat daarmee gepaard gaat op 900 miljoen gulden.
Tijdens de presentatie van het rapport "Zomertijd en produktiviteit" konden de aanwezigen een scan laten maken waarop de verminderde hersenactiviteit duidelijk zichtbaar was. Speciaal daarvoor werd het rapport op maandagochtend reeds om acht uur aangeboden.

 



Organisatie-analyse aan de hand van het computergebruik

Dat ASCII de wereld eenvoudiger heeft gemaakt zal ongetwijfeld de achtergrond van menig betoog zijn. Natuurlijk is N-exT de laatste die het belang van de ASCII-codes als voor meerdere systemen begrijpelijke standaard onderschat. Toch ligt haar allergrootste verdienste niet zozeer in de mogelijkheid voor bestandsuitwisseling, maar in het crisismanagement. Dankzij ASCII kan in een oogwenk vastgesteld worden wat er mis is in een organisatie.

Complot

Het spreekt voor zich dat de dikbetaalde organisatieadviseurs hieraan liever geen bekendheid geven. N-exT kan niet anders dan een breed georganiseerd complot van belanghebbenden vermoeden, dat tot nu toe de invoering van de ASCII-analyse heeft tegengehouden. Zonder zo'n complot zou immers een leger van organisatiepsychologen deze feilloze analysetechniek inmiddels toepassen.
Op het N-exTkantoor wordt al enige tijd met succes gebruik gemaakt van de ASCII-analyse in kontakten met organisaties. Aan de hand van de simpel te stellen diagnose worden de onderhandelingstaktiek en de toonzetting van gesprekken en brieven bepaald. Daarmee wordt feilloos de juiste toon te gevonden om de hoogste kortingen los te peuteren, de grootste genoegdoening voor een klacht te krijgen en het snelst geholpen te worden.

Alleen voor geaccentueerden

Wat men zich terdege moet realiseren is dat de ASCII-analyse, hoewel uiterst eenvoudig, slechts aan een beperkte groep bevoorrechte personen is voorbehouden. Wie de methode wil toepassen moet namelijk geaccentueerd zijn. Geaccentueerd is iemand die in zijn naam of adres één of meer letters heeft waarop, waardoor of waaronder een leesteken is aangebracht. De N-exTonderzoeker (Frans la Poutré) zelf verkeert in de gelukkige omstandigheid dat hij geaccentueerd is door een ALT- 130 in zijn achternaam. Met deze ALT-130 is hij ervan verzekerd dat alle aan hem gerichte post automatisch geschikt is voor een ASCII-analyse.

De basisprincipes

De achterliggende gedachte achter de ASCII-analyse is, dat het ontbreken van letters met bijzondere leestekens op het toetsenbord van de computer, organisaties voor problemen stelt. De typiste die geleerd heeft dat haar machine na de ` wel even wacht tot ze de e eronder heeft getypt, merkt dat haar tekstverwerker er andere gewoontes op na houdt.
Het geaccentueerdenprobleem zal door verschillende organisaties op verschillende manieren worden aangepakt. Het probleem kan worden opgelost of omzeild, terwijl er ook verschillende lapmiddelen zijn. ASCII-analyse is eigenlijk niets anders dan het afleiden van gegevens over een organisatie uit haar accentenaanpak.

Organisatietypen

Hierna worden enkele veel voorkomende organisatietypen behandelen aan de hand van hun ASCII-beleid.

1. De luie organisatie.

In een luie organisatie is er geen enkele behoefte om te onderzoeken hoe bijzondere tekens moeten worden gebruikt. De betreffende tekens worden gewoon weggelaten, terwijl er vaak ook schrijffouten in de naam voorkomen. In het gunstigste geval werd de N-exTonderzoeker aangeschreven als de heer La Poutre, maar even vaak kreeg hij namen als Lapoetre, De la Poutre, Laputray of andere variaties toebedeeld.
Luie organisaties hebben weinig begrip van klantvriendelijkheid. Succesvol onderhandelen gaat met de "kapotte grammofoonplaat"-techniek. Ga niet in discussie maar herhaal je eis net zo lang tot de ander baalt en toegeeft. Onder de luie organisaties bevinden zich veel detailhandels, maar ook de meeste gemeentes.

2. De zichzelf slim vindende organisatie.

Ook deze organisatie neemt niet de moeite om echt oplossingen te zoeken, maar verbergt haar onkunde achter een façade (alt-135) van misplaatste slimheid. LA POUTRE wordt het dan, hetgeen strikt technisch gesproken misschien juist is doch zeer onbevredigend. Het gebruik van de ALT- 144 is de zichzelf slim vindende organisatie onbekend.
Onderhandelen met dit type organisatie is vrijwel onmogelijk. Zij is zeer met zichzelf ingenomen en vindt zichzelf meestal onmisbaar en onfeilbaar. Overheidsinstellingen en energiebedrijven zijn goede voorbeelden.

3. De experimentele organisatie.

Veel middelgrote bedrijven horen tot deze categorie. Men heeft gehoord van ASCII-codes doch de aanwezige database doet iets anders met die codes. De medewerkers van de organisatie zijn zeer zelfstandig en worden nauwelijks gecontroleerd. Post wordt gericht aan La Poutrî, La PoutrÜ of La Poutr, maar is desondanks niet door interne controles onderschept. Dit zijn de goed onderhandelbare bedrijven. Praat met de medewerkers over het computersysteem, maak een complimentje. Zij hebben immers zitten zwoegen op een technische oplossing. Vervolgens krijg je alles gedaan.

4. De goedwillende organisatie.

Evenals bij de luie organisatie komt er La Poutre uit de computer. Alvorens de post te versturen zet een medewerker met de hand echter nog even een streepje op de e. Onderhandelen is bij goedwillende organisaties niet nodig. Zij rennen sowieso het vuur uit hun sloffen voor je.

Telefonische analyse

De ASCII-analyse kan ook telefonisch worden gesteld, door de naam te spellen met gebruik van de volledige ASCII-code. In het geval La Poutré wordt dat: hoofdletter el-a-dan een nieuw woord- hoofdletter pee-oo-uu-tee-er-alt130. De reacties van de gesprekspartner geven inzicht in het organisatietype. l. lui: "lapoetralt, heb ik dat goed begrepen?" 2. slim: "wij hebben een speciale accentenafdeling!" 3. experimenteel: "er komt helemaal geen letter op het scherm!" 4. goedwillend: "kunt u ALT nog even spellen?"
Het wachten is op de eerste professionele ASCII-analist.